klaar.... elk keert nu weer gauw tot zijn werk terug. En de kamer is stil.... ze kijkt naar moeder, naar juffrouw Content.... ze denken er allebei over na.... moeder ziet heelemaal bleek en juffrouw Content ziet heelemaal rood, zijzelf voelt zich gloeierig.... ze denkt aan alles tegelijk... aan niets.... aan iets... aan dingen door elkaar.... en dan, zoo duidelijk, dat ze ervan schrikt, komt het gezicht van mijnheer Israëls voor haar oogen.... onder haar oogen.... tusschen haar oogen en de breikous in.... Het hoofd van mijnheer Israëls en zijn bovenlijf, boven zijn schrijftafel uit en achter hem het mooi-gekleurde mizrach aan den muur.... omdat ze dien keer zoo lang wachten moest en aldoor naar hem keek, terwijl hij las in Vaders brief, keek zonder het te weten.... Zóó zat hij, op zijn eenen arm geleund.... je zag over het zwarte keppeltje de plooien loopen naar den platten knoop, zoo was zijn hoofd gebogen.... hij las.... en aaide zijn eigen baard.... zoo zat hij toen.... zoo ziet ze hem nu.... als voor haar oogen, als onder haar oogen, tusschen haar oogen en de breikous in.... en nu.... haar vingers stokken, worden stil.... nu ziet ze duidelijk zijn gezicht veranderen, door wat ze van hem weet.... een schuldig.... verontrust gezicht... de oogen hol en diep, vol schuwheid, angst, geheim.... want wat deed hij wel niet in die eene daad; het was geld van anderen, en hij nam het.... het was Joum-Kippoer en hij raakte het aan.... het was Joum-Kippoer.... en hij stal.... en al die jaren werd hij rijker.... en al die jaren werd hij vromer.... en doet nu alles om dat ééne goed te maken.... zit boven en oort, als anderen jomtof vieren.... volgt kleine geboden zoo streng als de hoogste op.... en alles, alles is in zijn gezicht, ze ziet het duidelijk in zijn gezicht....
155