een.... en een heeleboel! Waar komen die vandaan.... wie strooide over de tafel stukjes regenboog? Ze ziet het al.... ze vallen uit de kroon.... die aan de lage zoldering boven tafel hangt.... de zware kroon van groote, wonderprachtige kristallen, ze hoeft zich bijna niet te roeren, alleen onmerkbaar maar haar hoofd, en vat hem heel-en-al in het oog.... één zware vracht... één massa glans en blikkering van zilver, zwart en kleuren-fonkeling.... van snoeren door elkaar en pijlen, schijven, punten, pegels allerhelderst ijs. Het is de Licht-Kroon.... als je die nu 's avonds eens mocht zien.... Wat zijn ze rijk.... wat moeten er kisten vol met geld staan, hier in huis! Wat vroeg mevrouw? Hoe laat of Moeder ze thuis verwacht.... hoe laat ze eten moeten? Ze hoeven niet meer te eten, het is al na-den-eten, en het hindert niet precies hoe laat ze komen, als ze maar voor zessen binnen zijn. Dan is toch het nog volop licht.... Ze kijken elkaar aan. Er was toch niet iets geks in wat ze zeiden? Wel neen, de heer en dame met de kranten zullen om wat anders zachtjes lachen! Hun gezichten worden toch nog warmer, hun ooren tintelen.... je kunt het niet zeker weten! Het is weer stil.... het is in de kamer tenminste stil.... maar niet in het heele huis. Daareven, toen ze spraken met mevrouw, hoorden ze boven zware stappen dompen, de lichtkroon rilde en tinkte zacht.... nu hangt de lichtkroon stil.... en zijn de stappen stil.... maar dof en donker mompelen vangt aan en breidt zich uit en vult het huis.... en krimpt weer in en keert als tot zichzelf terug.... Daar boven zit iemand.... en die ״oort".... of die zegt tillem.... of leest zijn magser of den Talmoed overluid.... en wat een buitengewoon vroom mensch moet hij zijn, die dat thuis doet op
139