den heer en de dame een hand ׳—, het ״nog-veel-jaren" denken ze erbij, want ze durven geen geluid meer geven, want niemand spreekt een woord, alleen de blauw-satijnen dame met mevrouw, maar wat ze zeggen kun je niet verstaan. Een heer ligt op de canapé, ze willen naar hem toe gaan, maar hij slaapt.... er vloog een sst.... zoo scherp en boos, als hadden ze kwaad in het zin, ze schrikken ervan en schamen zich en voelen hun ooren gloeien. Ze zitten, op twee mooie blauwfluweelen stoelen naast elkaar, ze zitten een heel eind van de ronde, witte tafel af, — je ziet geen pooten, zoo laag hangt het kleed — ze zitten een heel eind boven den grond en moeten de beenen bengelen laten. Haar eene schoen sloeg even tegen de sport, die is in glanzende figuren prachtig uitgesneden, die lijkt op het duurst taai-taai.... de blauw-satijnen dame hoorde het en kuchte en keek haar aan, nu houdt ze de beenen stijf bijeen en voor zich uit en durft zich niet bewegen. De kamer breidt zich groot en schemerig om ze uit en het lijkt hier veel later dan buiten. Een spiegelkast glimt als uit de diepten op maar is dichtbij, de schilderijen blikkeren, verder weg. Ze zouden graag eens rond-zien, maar het geeft geen pas. Ze voelen stijf en zwaar de stoelen onder zich ׳— dat zal wat zijn om die aan kant te zetten, zooals toch moet — ze voelen geen leuning en ze voelen geen grond, ze zouden net zoo goed hoog boven de aarde in een leege ruimte getild kunnen zitten, maar niet eraan denken of je zou duizelig worden, ze zitten stijf en ze kijken stijf voor zich uit en ze voelen hun gezichten gloeien en hun voeten koud. Kijk.... midden op tafel.... midden in het wit.... een stukje van een regenboog, rood en purper, oranje en groen.... en kijk.....daar nog een.... en daar nog
138