Jomtof, die dat doet buiten de drie keeren Sjoel.... En die buitengewoon-vrome man, dat is mijnheer Israëls, want ze kennen zijn stem! Er zijn wel vrome menschen in de kille, maar zoo geen een.... op jomtof, en alleen!
Waar kwam die luide gaap vandaan? Het kraakte.... er wentelde iets zwaars.... de heer op de canapé wordt wakker.... hij komt overeind.... hij zit overeind.... voorover en zijn handen hangen tusschen zijn knieën af.... hij smakt of hij dorst heeft en kijkt naar hen. Ze hebben hem niet ״nog-veel-jaren" ge-wenscht.... moeten ze eigenlijk niet opstaan? Hij is al zelf overeind.... hij komt naar hen.... maar neen, hij gaat naar het raam.... en neemt de blauw satijnen dame mee.... ze staan bij de spiegelkast.... en zijn stem bromt als een bij.... en hij haalt de schouders op. Het is weer stil.... je hoort alleen mijnheer Israëls „ooren".... het zwelt weer aan en vult het huis en krimpt weer in.... er blijft toch wat van in de kamer hangen. De dame is bij de spiegelkast gebleven, de heer ging naar mevrouw Israëls en wijst haar iets door het raam.... er flitste een bliksem, dat was de spiegeldeur, een diepte opent zich vol wit en zilver, glas en porcelein, ze kiest eruit en tilt het weg en zet het over het donker tusschen kast en tafel op het witte kleed.... de blauw satijnen arm tast in de kast en keert.... een blaadje, glazen, karaffen, zilveren trommels.... Ze kijken toe, hun hoofden gloeien boven de stijften van hun beenen en hun lijf, zij durft de sporten van haar stoel niet met de hakken raken, ze voelt zich zitten op het stroef fluweel, als zat ze eraan geplakt, als kon ze niet meer los — dat maakt haar heelemaal ineens benauwd. De blauw-satijnen dame grijpt de karaffen om hun
140