witte zakdoek ligt tusschen haar handen in haar schoot. Ze zit bij de tafel en ze praten — zoo hoort het ook, niet dadelijk presenteeren! — ze heeft eerst naar Moeder gevraagd en toen moesten ze opstaan en zich omkeeren om hun nieuwe goed te laten zien en ze moesten vertellen of ze allebei met Vader vanmorgen sjoel zijn geweest en of ze op joum-kippoer vasten zullen.... en nu zitten ze stil en zeggen eventjes niets.... en nu gaat ze zeker dadelijk naar de kast. Ze zitten een heel eind hooger dan de straat, dat is alleen maar hier.... ze zien de boveneinden van de huizen in het witte licht, ze zien op de schuiten die over het water komen, en alles lijkt anders dan als je beneden bent.... zoo veranderen altijd de dingen naar waar je staat en nooit raak je aan de wereld uitgekeken.
Ruischend komt juffrouw Krant overeind uit haar stoel, maar blijft nog staan. ״En wie zijn er alzoo vanmorgen opgeroepen?"
Vader! Vader ook....! En dat is waar, en wat heerlijk is dat om te mogen zeggen: ״Vader heeft aan u ook een miesjebeirag gemaakt en.... Ze zeiden het gelijk en hielden dan gelijk hun stemmen in en slikken allebei en kijken elkander aan.... hij is een jongen, hij moet het verdere maar zeggen! ״En Vader heeft ook aan uw man een maskar-ne-sjomme gemaakt." Ze tilt den grooten, witten zakdoek naar haar oogen.... ze zit met den rug naar het portret en het tafeltje toe, maar zij precies er tegenover.... en hij kijkt uit den zwarten, ovalen rand, met groote oogen kijkt hij de kamer in, hij kijkt over het lichtje, hij kijkt op het lichtje neer, hij kijkt naar alle kanten tegelijk.... het gouden peertje rilde en stond weer stil.... het leek alsof er iemand tegen
135