Vader haar boeken bij-houdt voor haar, komen ze vaker dan vroeger, men moet de rouwbedrijvenden toch troosten.... In de Sjiwwe zijn ze ook menagem-owel geweest en hebben haar eenzaam zittend op den grond gezien, ze treurde alleen, want kinderen zijn er nooit geweest en hij was de laatste uit zijn eigen huisgezin. Vader kwam 's avonds kaddisj zeggen: hij liet geen eigen kaddisj na. De sjiwwe ging voorbij, toen kwam de sjlousjiem, ging ook voorbij, nu brandt alleen het kleine licht, dat blijft het heele jaar, en wordt daarna nog ééns elk jaar ontstoken, zoolang zij leeft, dan is het uit, dan wordt hij niet meer op de aarde herdacht.... Het was een tafeltje vol bonte vaasjes, gekleurde popjes, blauw en rose porceleinen beestjes, waar nu alleen het lichtje staat, een lang goud peertje recht op kleine steel omhoog en bloot in het witte kamerlicht, op het tafeltje wit-gedekt en verder leeg en onder zijn portret. Haar oogen gaan door de kamer dolen.... en sporen de vaasjes, beeldjes, porceleinen beestjes op.... ze zoeken elk en vinden ze een voor een, elk op een vreemde plek. Zullen ze, als het Owel-jaar voorbij is, weer op hun oude woonplaats bij elkander komen?
Het is een stille, bleeke Jomtof hier.... geen warme lekkere etenslucht, geen koek of drank, geen spat, geen kruimel op het witte kleed, niets dan het zwarte magser, waaruit ze las.... misschien is er den heelen dag nog niemand geweest! En toch voel je den Jomtof wel en duidelijk zelfs.... en juffrouw Krant draagt al is ze alleen, haar mooie zijden japon, met de lange kanten over haar witte handen, met het goudbewerk-te plooisel om den hals, en onderuit haar glanzende beste bandeau hangen haar prachtige bellen en haar
134