kant.... de zon.... maar stadig loopen deuren vanden dag, je ziet, je voelt aan alles dat het later wordt en bijna is het tijd voor middagsjoel....
Tegen den middag is het licht van kleur verschoten, er vallen lange, bleeke stilten in, de horizon trekt dichterbij en uit de aarde welt de nieuwe dauw. De dag bloeit uit.... Zoo is van ieder ding dat heerlijk was de tweede helft, zoo is ook elke Sjabbos na de middagsjoel, maar over dezen middag ligt een glans, omdat de Jomtof overnachten blijft en morgen-ochtend weer zal zijn als de ochtend was! Ze wachten na het bellen op den stoep, naast den gesloten winkel, en leunen aan de lauwe gladde deur en vangen uit de verte vleugjes haangekraai en zien de straat in zachte ronding naar het water glooien, waar bij den steiger aan het eind de boot op weggaan ligt, en hooren van ver-weg een andere boot en snuiven in den wind vanwaar hij komt, en zeggen niets en tuimelen bijna achterover in het portaaltje, maar houden gauw hun schateren in, want juffrouw Krant is in het Owel-jaar....
De kamer is een witte overvloed van licht, na engen schemer op de trap.... tusschen het open witte licht buiten en het besloten witte licht binnen staan de ramen, helder en dun, fijn overspreid met de kanten gordijnen.... wit licht straalt van het witte kleed dat over tafel midden in de kamer ligt, en ze moeten het in het voorbijgaan naar hun stoelen even aaien, zoo mooi en glad als het is, hun toppen tasten naar de strakke, koele bloemen, die in het keeren van hun hoofd geleidelijk van grijs tot zilver opengaan.... Een stille Jomtof is het hier.... maar juffrouw Krant is heel blij dat ze kwamen. Sinds haar man stierf, sinds
133