hooren. Het knallen komt van rechts en soms volgt dan gebrom, een roffel kort en dof, een neuzig muziekje, dat ophoudt, eer je het recht hebt gehoord.... links vallen de doffe dompen.... en het meet-ding vliegt omhoog langs de schuddende paal.... een zwak geknetter.... die kan het, die gaf kracht!.... daar komt het roetsend weer afgeslierd.... Ze kan bij allebei wel eens gaan kijken. Dik staan de menschen voor de schiettent opeen en praten zacht.... die jonge boer, met een blauwe roos op zijn zijden pet, die heeft al voor meer dan twee gulden verschoten en nog altijd legt hij kwartjes neer. En hij schiet zoo goed, zeggen ze. Hij-zelf zegt geen woord, kijkt niet op en niet om, staat er maar bij met een onverschilligen mond —, zoo doe je ook op school, als je geprezen wordt, alsof het je niet schelen kan. Nu vult de juffrouw opnieuw zijn geweer, met een draaimachientje, razend gauw, de kolf aan haar knie.... en ratelsnel praat ze in een taal, die niemand verstaat, naar een andere juffrouw, naar een donkeren jongen man tegen den muur en ze lachen alle drie, de juffrouwen hard, de man alleen met zijn gezicht, zonder geluid. De menschen buiten luisteren, al verstaan ze niets en wachten en kijken naar binnen, zij ook.... Elk ding daar binnen hangt nu onbeweeglijk stil in den schemer tusschen de grauwe wanden, en het strakke, roode achterdoek, de snoeren witte pijpen dalen, stelen omlaag, van de zoldering neer en gaan in bochten weer op aan draden zoo dun dat het is of ze losjes zweven.... de stijve soldaat over zijn trom, de orgelman langs zijn langen neus kijken elkaar strak-lachende aan, die zijn het moeilijkst te raken, de ronde, witte punten zitten in hun oog, daar middenin moet je je kogeltje mikken....
112