naar het postkantoor moeten, het is voorschrift, of je zou zeker maar voor eiken brief de heele Koemarkt over moeten gaan! Boven op het witte blok legt de man het dunne vierkantje gele koek, dat klapt een geluidje als was het uit zeemleer gesneden en dan met meel dun overstrooid.... drie slagen zijn al het minste.... want rukken is valsch.... en bleef de laatste keep net eventjes maar onder den bovenrand, of hangen de helften nog met een koeken draadje aan elkaar.... dan moet die boer of die man betalen en dan lachen de anderen en schuifelen na het stilstaan en spuiten het bruin van hun pruim waar het vliegen wil....
Kijk je uit dit hakblokken-straatje naar links en naar rechts, dan zie je voorbij de openingen de menschen gaan —, één stroom in de schaduw, en één stroom in de zon.... Het is altijd dezelfde stroom en het zijn altijd andere menschen... de mannen hebben papieren roode rozen, de vrouwen kauwen onder het praten en slepen de kinderen met zich voort. De kleintjes zwaaien rateltjes, dofgeel, dofrood, dofgroen.... de blaas-toeters, dik-gezwollen, lijken den grooten uit de puilende monden gegroeid.... ze deinen zacht, er sprieten lichtfonteintjes uit, strakgespannen glanzen ze.... totdat zij ze leegloopen laten.... hooggillende slinken ze dan in een oogenblik en knakken neer en hangen als stomme frommels van de stokjes af —, het heerlijke van zoo'n toeter is wel, dat je altijd opnieuw kunt beginnen, zoo vaak je maar wil, dat je altijd weer dat strakke, felle glanzen van geel of rood of paars, die zilveren lichtfonteintjes, dat lange fluiten zelf te voorschijn roepen kunt. En wacht je wat, dan is het telkens weer als nieuw.... Links is de schiettent en rechts is Jut, je kunt ze hier allebei
111