dan komt er een plotse roffel, een korte muziek.... ze hebben hun handen al klaar.... maar verroeren nog geen vin....
De juffrouw heeft het geweer gevuld en geeft het den boer en keert zich om en lacht achter haar hand tegen den donkeren jongen man, die houdt met een wijden gaap zijn eigen lachen in, zet zich op van den muur en gaat, zijn rug naar de menschen, meer naar achter staan....
Zie nu, hoe de jonge boer den kolf tusschen wang en schouder tilt, zie hoe hij rondkiest, wat hij mikken zal.... hij mikt den soldaat, maar schiet nog niet.... ernstig kijkt hij... zijn vinger kruipt langzaam, als uit eigen beweging, naar den trekker toe.... iedereen is stil.... de man in de tent geeft de meisjes een wenk, dat ze niet meer lachen mogen.... en stokstijf staan ze plotseling, de handen in de zakken van hun prachtige boezelaars, goud op rood geborduurd.... en de man kan toch onmogelijk hun vader zijn. Knap.... daar sloeg het kogeltje ergens tegenaan.... en even blijft het stil.... schoot hij nu ditmaal mis.... de man in de tent bukt zich om wat op te rapen.... en meteen..., ze schrikt ervan.... zoo plotseling als die soldaat daar aan het roffelen sloeg.... hij staat er hee-lemaal van te schudden.... en het lijkt wel of hij nu echter lacht, maar dat kan natuurlijk niet.... Het gulden mandje blinkt.... vol goud en zilver, vol rood en groen.... het laat een zwaaiend glansspoor in de schemering.... nu heeft hij al vier medaljes aan zijden strikjes op zijn jas.... hij doet wel weer alsof het hem niet kan schelen.... maar dat gelooft geen mensch, de jongens en mannen die geen geld hebben om te schieten, kijken jaloersch en vol ontzag.... De platte, stijve tronies van orgelman en trommel-
113
Avontuurtjes. 8 x x ^