258
enkele boeken met zich mee naar huis. Toen ze heenging, trof haar weer de nieuwsgierigheid in zijn oogen. Uiterlijk rustig kwam ze thuis, binnen in haar fonkelde een robijnen blijdschap; dit was een stap geweest en ten goede volbracht.
Heieen wachtte enkele weken voordat ze weer naar hem toeging, doch iedere dag bracht met het ontwaken een nieuwe worsteling tegen haar verlangen om tot hem te gaan, en in den avond een nieuwe blijde verluchting, omdat ook dien dag het wegblijven haar was gelukt. Het gebeurde wel, dat zij zich zoozeer ledig en droefgeestig voelde dat de begeerte hem te zien elke andere overweging uit haar verdrong, dan begaf ze zich naar zijn huis, maar onderweg bezon ze zich,en dwong zich huiswaarts te keeren. Bange voorgevoelens bevlogen haar, dat ze het op die wijze niet uithouden zou. Dat ze naar hem toe zou gaan en zich onbeheerscht verraden door mond en oogen en alzoo wat ze met geduld en sluwheid bezig was te bouwen, in de koorts van een enkele seconde ineenstorten, zooals een aardbeving den arbeid van tallooze jaren en tallooze handen in één stoot verwoest. Zij zou haar dwaasheid begaan en hij zou haar verachten en verstooten, of op zijn best haar tot zich nemen, zooals een man wel een vrouw tot zich neemt, van wie hij niets anders weet dan dat zij bekoorlijk is en een slechten naam heeft, na een daad, welke van haar slechten naam de bevestiging is, tot een kortstondige vreugde, welke