26
rampzalig, maar stil-verrukt, alsof het zomer was. Ze trok krasjes in de verf met den nagel van haar pink en had gedurig nog een kleine rilling van geheime behagelijkheid.
Dicht bij de school stond de bouwval van een oud, kerksch weeshuis, een ingezakt grauw brok muur met hoopen puin en stof achter de gapende ramen. Twee fijne berkjes met bast als zilveren tijgerhuid aan weerszijden van de toegespijkerde deur. Dagelijks ging Heieen langs dien muur zonder er acht op te slaan of er iets bij te gevoelen. Ze zou de kleur van de steenen en het aantal ramen niet hebben kunnen zeggen. Maar eens in een avond van April, de lucht was porceleinig bleek en blauw met koele, strak gepenseelde vegen, de verre sterren blonken nog maar flauw, ze was met haar moeder uit geweest en keerde zwijgend aan haar hand naar huis terug, zag Heieen het woeste kartelen van dien muur, en in de witte wijdte van de lucht de zilverbleeke teederheid der trillende berkjes. Het bang en zoet bevangende, dat ze kende, maar niet verstond, woei haar plotseling hevig en vol uit dit alles aan. Ze had jaren geleden in een reisverhaal over den grooten Muur van China gelezen, doch er nimmer een voorstelling van gezien. Dit was de groote muur van China en uit de porceleinen wazigheid der lucht en het parelmoer van de kimmen vormden zich beelden en gestalten, vluchtig doch tegelijkertijd sterk, zooals geur vluchtig en sterk is, en bevolkten