248
Heieen werd door dit alles bang voor zichzelf, bang voor de ongedurigheid, die ze na tijden van rust en nuchterheid in aantocht voelde en zoozeer vreesde, omdat in dien toestand haar klaar en krachtig verstand, haar scherp onderscheidingsvermogen onklaar raken en verstompen zou. Ze hield zich, nu het nog tijd was, nu ze de dingen nog kon zien in hun juiste verhouding, schatten naar de juiste waarde en meten met den juisten maat, aanhoudend voor, dat ze niet in haar oude fout zou vervallen en elk klein ding overschatten, verzwaren en vergrooten, zoodat ze van angst tot angst geslingerd en door het geringste bloedend gewond zou worden, totdat haar sombere prikkelbaarheid haar van wien ze het meest begeerde te winnen, zou vervreemden. Ze prentte zich in, dat ze die schichtigheid moest bedwingen, geen volmaaktheid verwachten van eenig mensch, haar ongeduld intoomen, haar gretige voortvarendheid breidelen en elk ding overlaten aan zijn eigen groei tot haar duurzaam geluk. Ze bracht zichzelf onder het oog, dat geen meisje een man kan winnen, zoomin als een man een meisje, door hem al te zeer klaarblijkelijk te zoeken en dat liefde het zekerst gewonnen is met koele kalmte. Zijzelf had eens met koelheid, die afweren wilde, een jongen aan zich gebonden, tot zijn liefde een last en een plaag werd. Ze wist het alles, het mocht edel of onedel zijn, die overweging was voor een ander uur, nood was nood en elke zaak had zijn eigen eisch. Wat