143
den —, maar ze vervulden haar niet met die zoete weemoedigheid, die de oude romans uit haar kinderjaren als een zacht-benevelende damp op haar afgezonden hadden. Ze geleken haar daarbij arm en schraal. Lag het aan haar of aan die boeken? Ze wist het niet en sloeg er zich door en beet door haar weerzin heen, omdat ze ook het leven zooals het daar aanschouwd was, wilde kennen. Maar tegelijk greep ze gretig naar andere boeken: van lang gestorven schrijvers over lang-gestorven menschen en van menschen in bijzondere levenswijzen, in tijden van kentering en opstand —, om overeenkomst en eenheid te voelen, en te weten wat elkeen van nature was en wat hem werd bijgebracht en of menschen van nature ,,goed" of ,,slecht" waren en hoe „helden" ontstonden en hoe „misdadigers." Ze las en schoof het boek weg en peinsde met de oogen voor zich uit.... kleuren verloren hun scherpte, schrille klanken verzachtten.... het was of bergen werden geslecht en valleien zich vulden.... en het al tezamenvloeide tot een eindelooze, grauwe vlakte. Waarheen was al het geduchte, het ontstellende, het geweldige gevaren? Kon geen enkel ding het licht lijden en van nabij worden bekeken, zonder zichzelf, vorm en omtrek te verliezen, zooals een wolk zichzelf verliest, naar de aarde zinkend en verwordend in mist? Alles viel evenzoo triest uiteen —, wat waren toch menschen? Als water, geurloos en kleurloos en niet warm en