Tweeërlei kermisstemming
'Hildebrand schreef er wel een hele brief over...' pruilde het u bekende zwarte vriendinnetje.
'Ja lieve' zei 'tante' een beetje spinnig - want welke levende literaire tante wordt nu gaarne in de schaduw gesteld door een dode literaire oom? - 'ja, lieve' zei tante, 'maar ziet u, Hildebrand had dan ook, of bedacht dan ook, een neef Augustijn en Hildebrand schreef over de Rotterdamse kermis, en Hildebrand leefde in een tijd, toen het mensdom nog gans anders tegenover die geneugten stond...'
We kwamen uit dat draaiend heiletje van stof en rumoer, van gebonk en gegier en gefluit en gejoel, de stoomcaroussel, en we keken juist tegen de worstelaar met zijn worstarmen aan. En daar liep de belleman en daar ploften 'Max und Moritz', arme joggies, uit de appelboom en wreven zich de achterdelen... 'Kunt u over dat alles nu niet eens één 'Plattelandje' schrijven?'
'Tante' voelde haar prestige kantelen.
'Misschien wel honderd, beste kind, en misschien niet één! Het hangt niet van de kermis af, het hangt maar alleen van "tante" af.' Even later... daar was het. Dat ene impressietje, waarop altijd het wachten is, waaromheen zich dwalende gedachtetjes en vage gevoe-lentjes in een schok kristalliseren zoals in de oververzadigde oplossing de wezenlijke kristallen rondom de plotseling ingestoken stok. Met hun fietsen - hun blinkende, keurig onderhouden pronkstukken van fietsen - met elk de zijne in de arm kwamen 'hij' en 'zij' het volle fotografietentje binnengelopen en wensten zo te worden, voor hun twee kwartjes, gekiekt. Die ernst! Die was mij voortdurend al opgevallen, want wij alleen hadden 'reuzepret' en wij alleen lieten ons grinnikend vereeuwigen in de 'Brabantse hondekar, bespannen met twee levende honden' en daarna in een 'ééndekker', met ons zessen liefst, maar alle anderen maakten er een zaak van grote gewichtigheid van en trokken gelegenheidsgezichten en kozen uit de rekwi-
92.