sprak steeds van Kees Landia, in verband met het denkbeeldig bestaan van een zekere meneer Landia, immers 'Neerlandia' ging ver boven haar petje), het blozend kaas-en-worstjongmens, kortom alles wat zich al zo onder het portiekje bijeenschikt tot gezellige praatjes over het weer, wijst met dezelfde glimlach van bittere humor omhoog: 'Wacht maar, u zult het zien, het is nu met de droogte gauw uit, Sint-Jan krijgen we regen in overvloed, het zou immers niet anders kunnen!'
Inderdaad... die dag van vierentwintig juni, als het dorp op zijn allermooist is, als alle heggen - tintelend van de fijne goudgroene flonkeringen van het sint-jansschot, teder-rose in de bruine beuken! - volgens oude zede keurig zijn bijgeknipt, alle huizen van nok tot kelder gereinigd, alle meiskes, na drie dagen papillottentooi, op het schoonst bekurketrekkerd, dan, of het spel er mee speelt, pakken zich steevast tegen half twaalf de wolken boven de biddende proces-siegangers, de hooggestoken vaandels, de witgeklede, bloemendra-gende 'bruidjes' tezamen en ontlasten hun overvloed van wat men, hoe ook gestoord, toch ook weer niet verwensen kan, omdat het de vurig verlangde zegen is, waarnaar de akker zolang heeft gesmacht. Ach, met een weemoedige glimlach denk ik terug aan de paarse hoe-delinten van onze goede oude 'Kaka', die uit haar hofje altijd trouw overkwam om in de Sint-Jansprocessie mee te lopen en waaruit 's middags - uit de banden bedoel ik! - een viezig purper vocht afstroomde, als had ze zich, een Maori gelijk, kakelbont getatoeëerd! Zij is niet meer, het brave oudje, maar het regent nog geregeld op Sint-Jan...
En wezenlijk, er valt dan heel wat te bederven! Elk jaar opnieuw weer bewonder ik de schat van levende bloemen - snijbloemen en planten - door de talrijke Larense kwekers gegeven voor de luister van die allergrootste en allermooiste dag, veelal in combinaties van geel en wit en paars - irissen, leliën, petunia's - zijnde geel-wit de pauselijke, paars de bisschoppelijke kleur... elk jaar meer prefereer ik de stemmige vóóravond, de gemoedelijke, bijna gewijde leven-
90.