kokerachtige kwaliteiten van de Larense bodem doen inderdaad klei- en veenhazen (in mensengedaante) versteld staan, en ik behoef u dus van de klaagliederen, dit voorjaar ten weerbarstigen hemel gestegen, niemendal te vertellen.
'Net zo erg als verleden jaar!' antwoorden luid van boosheid de boeren op uw schuchtere suggestie 'veel erger immers, mens!' En dan komen de uideggingen omtrent het schromelijk verschil tussen het zachte, vroege voorjaar van verleden jaar en de eindeloze winter, die we nu nog zelfs geen twee volle maanden achter de rug hebben.
Het is waar, 'het vorige jaar' blijkt tenslotte altijd geweldig te zijn meegevallen, hoe somber ook de voorspellingen luidden - een variatie op kleiner schaal en in sneller tempo van het Goede-Oude-Tijd-thema! - maar in dit geval gaat de verschilsfactor maar al te zeer op, we zien het aan onze vaste planten, aan onze aardbeien, die er 'überhaupt' niet zijn, bezweken onder de dubbele moord van verleden zomer en afgelopen winter.
En zo keken we dan, in de laatste weken van mei en de eerste van juni vol smachtend ongeduld ten hemel op, of deze zich eindelijk zou willen erbarmen over onze armzalige, ongelukkige rogge, onze dwergachtige aardappels en stumperige bonen. En we sloegen het fantastisch ritme der boterprijzen - een 'suite' voller van dissonanten dan Wagner op zijn wildst! - gade met een mengeling van verbazing en droefenis — droefenis, omdat blijkbaar zelfs het koebeest zijn contact met de natuur verliest en, aan handen en voeten gebonden, overgeleverd wordt aan 'internationale economische verhoudingen'.
Curieus, hoe dan, elk jaar opnieuw, als midjuni nadert, de Laren-se gemoederen beginnen te wankelen en de verlangens zich gaan verdelen tussen deze twee dingen: lekkere, malse regen - met de dag broodnodiger! - en een mooie, droge Sint-Jan. De schoenmaker die om lapwerk komt, de groenboer, het kruideniersmeisje, de baas van de fijne was, 'Kees Neerlandia' (onze onvergetelijke Jans
89.