appeltjes pompend op het zonnige erfje van het oude hoekhuisje met de kleine ruitjes... de auto's en motorfietsen snorren er langs, gans de dag, maar binnen het hekje praalt het jonge gras en springen de kinderen touwtje en zeur-zingen de liedjes die wij óók zeur-zongen in onze jeugd, en wie weet hoe oud die liedjes zijn, en ze dragen, die kleine meisjes, hun paashoedjes met gele blommen en ze hebben hun kraak-gesteven schort voor...
Kijk, nu weet ik het ineens! Ik wilde het eigenlijk nóch over de Bourbons, nóch over onze Larense dorpsjeugd hebben, maar over die afschuwelijke zomerplaag... ik meen geen vliegen en geen muggen, zelfs geen auto's en motorfietsen, ik meen die kromgetrokken, zot-verbogen wezens met piassenbroekjes en nummers op hun rug, op hun dunne roodgebande renfietsen, met hun vooruitgestoken gezichten in krampige staar verstard, hun ogen puilend als van rupsen, als van slakken, ik meen de dwazen, die sport tot spot maken en zichzelf tot een aanfluiting... Verleden week ben ik ze tegengekomen op mijn zondags ommegangetje door het dorp en ik ben aan de kant van de weg gaan staan en ik heb ze uit de grond van mijn hart gehaat, met een donkere, gecompliceerde haat, waarvan ik de elementen nog niet geheel en al ontrafeld heb... maar wel weet ik, dat ze voor mij vertegenwoordigen het brutale, vulgaire, poenige, aanmatigende, redeloze, en dat ik in hen zie het symbool van de geest, die de schouwburg kwijnen en de bioscoop bloeien doet, volksconcerten tot een mislukking, volksliteratuur tot een ironie maakt en dat ik liever 's zondags thuis blijf, dan ze in het dorp te ontmoeten. En zo dit 'overdreven' is, het lustte mij dan ditmaal eens te overdrijven en mijn overdrijving te bekrachtigen met mijn naam...
79.