gewoonlijk door een kleinigheid in mij gaande gemaakt, en dat ik het eigenlijk over heel wat anders hebben wil, namelijk over een La-rense zondagmorgen... en eigenlijk over nog wat anders... maar dat weet ik nu niet meer...
Hebt gij u nooit ook over u zelf verbaasd, als ge met de heugenis aan even zoveel stadse zondagmiddagen toch altijd weer opnieuw onder de bekoring van de stadse zondagmorgen komt? Wat mijzelf betreft, ik herinner mij reeds als klein kind de vluchte vleugen te hebben gevoeld van die verwondering, welke ik later in mijn werk zo vaak uitdrukte: altijd weer verliep de sabbatmiddag in lome verveling en altijd weer maakte, op winterse vrijdagmiddagen, de stap van de 'bovenmeester' door de schemerige school en zijn woorden van elke week: 'De Israëlieten kunnen nu wel naar huis gaan' datzelfde gevoel van heerlijke, hooggestemde verwachting in mij gaande...
En in die jaren, die in zovele hedendaagse huwelijken aanbreken, dat het geluk verbleekt en de ontbinding dreigt uit de verre verte, dagelijks duidelijker, blijft niet verwonderlijk lang voor de vrouw het thuiskomen van de man het hoogtepunt van de dag, ook al volgt er sinds tijden niets meer op dan doffe verveling, verbeten wrevel. Binnen het uur, binnen het kwartier! Hier openbaart zich het 'vergeten' van de teleurstelling der vorige dagen als een niet kunnen vergeten van het eens gesmaakte huwelijksgeluk en toont zich de betekenis der uitspraak over de Bourbons...
Onze Larense zondagochtenden, nu, met hun illusie van lente... met het groepje opgeschoten jongelieden op hun vaste plek tegen over de 'Koesweerde', het vijvertje aan de Brink, waarover weer de gouden snoeren van de treurwilgen in sierlijke bochten hangen, waar de grote straatweg uit Amsterdam uitmondt in het stille dorp en waar ze dus het meeste kunnen zien, de jongens in hun zondagspak, met mij wel te veel 'tweeds' en mij wel te veel 'lack-belts', maar men ontkomt niet aan alles... en als ter vergoeding, het oude vrouwtje in propere kap en ouderwetse kledij, water over haar aard
78.