man' te laten controleren, precies even dwaas. Echter kan men die raad en wat er mee samenhangt, dagelijks om zich heen vernemen. Waardoor? Door de buitensporige suggesties die van het uitheemse schijnen uit te gaan en die het kritisch vermogen eenvoudig op de vlucht doen slaan. Dat we leven tussen duizenden beschaafde Hollanders, die 'blijkbaar' en 'schijnbaar', 'hetzij' en 'tenzij', 'verplicht' en 'verplichtend' dooreen haspelen, we weten het allen. Nooit vergeet ik het 'de lezer houdt de inhoudsopgave ten goede' (voor: te goed!) in de dissertatie van de filoloog, die op die dissertatie cum laude promoveerde! Verleden week nog heb ik een rechtskundige tot twee keer toe 'naar mijns inziens' horen zeggen. Over de 'meer moderner' huizen en de rest wil ik zwijgen. En deze mensen vertrouwt men dan toch ook geen literatuur ter beoordeling toe. Hoort men echter een Franse advocaat of een Engelse dokter vlot en gemakkelijk Frans of Engels keuvelen - zo vlot en gemakkelijk als elk Hollander Hollands, maar vraag niet wat voor Hollands, keuvelt! - dan schijnt men niet te kunnen ontkomen aan de suggestie dat zulk Frans of Engels mooi, zuiver, correct of wat dan ook is, en evenmin aan de inbeelding, dat men zulks beoordelen kan! Het aantal heren en dames, dat men over het perfecte Engels van A. en het prachtige Frans van B. zo genoeglijk en zelfverzekerd kan horen babbelen, is legio, maar het aantal heren en dames dat zelfstandig de nonsens van een Klaasje van der Gracht zou kunnen onderscheiden van de schoonheid van een Boutens, is uiterst gering...
'Ja, mevrouw, u hebt zelf mijn stokpaardje van stal gehaald...'
Weet u, wat mijn bezoekster dacht, toen ze een ogenblik later afscheid nam? Ze dacht: en tóch zijn de druiven zuur...
216.