in haar vrije tijd, nooit iets anders.'
'Daar heeft ze toch ook gelijk in.'
Er lagen er een stapel op de kleine tafel. Bovenop, in keurig omslag, 'Lord Jim' van Joseph Conrad.
'Waarom dacht u eigenlijk, tante, dat we zouden lachen om Coué? We lachen soms... als u er niets op tegen hebt, om Coué-ende dames... maar we lachen niet om Coué.'
'Ik tenminste niet.'
Oom Marius vouwde zijn krant in elkaar en zette zich tot luisteren. Het was ditmaal namelijk geen vrouw geweest, die gesproken had, doch een wijs man, en zijn toon had ernstig geklonken.
'In de uitgangsgedachte van Coué is, met al zijn eenvoud, of om zijn eenvoud, iets wezenlijk heel groots. Nadat we van geslacht tot geslacht, van de lagere school af, hebben geleerd en gehoord... ja, als schrijfvoorbeeld onder onze ogen geduwd gekregen "willen is kunnen" of, als de meester wat geleerd was uitgevallen, zelfs het deftige, klassieke "Nihil volentibus arduum", komt daar nu plotseling een man, die leert dat in de strijd tussen wil en imaginatie de wil het altijd en steevast afleggen moet! En dat is nu precies het allerver-makelijkste in de Coué-woede! Dezelfden die staande houden in "vrije wil" te geloven, dezelfden die het hardst schermen met "zedelijke aansprakelijkheid", lopen het getrouwst met de Couése rozenkrans om de hals en prevelen eindeloos het Couése schietgebedje van "Tous les jours, surtous les points..." En toch... geen theoloog pleegde ooit vernietigender aanvallen op de "vrije wil" dan dezelfde geadoreerde Coué...'
'Afgezien daarvan... de gedachte is prachtig. De ontwikkeling van de imaginatie! Komt niet elk tekort, komt niet alle hardheid en bekrompenheid uit tekort aan imaginatie voort? Ik laat het genezingsprobleem nu even rusten. Waarom zijn we hard en dom in ons oordeel? Omdat we ons niet in de toestand en de mentaliteit van de beoordeelde verplaatsen kunnen. Waarom schieten we tekort in medelijden? Omdat onze imaginatie in gebreke blijft ons het leed en
198.