woorden uit de mond!' En daar kwam hij weer aan met zijn lieve-lingsaformisme:
'Als een stuk goed is, kunnen de acteurs het niet spelen - kunnen de acteurs het dus spelen, dan is het niet de moeite waard - reden om nooit naar de komedie te gaan...'
Dit reeds vaker gehoord hebbende, gingen we over tot de orde van de... recensent.
De jeugdige studente in de Franse letterkunde had hem 'een uil' genoemd - jeugdige studenten van beiderlei 'kunne' plegen wat kras te zijn in hun uitlatingen. Wij, ouderen, meenden het vonnis te moeten temperen in dier voege: Hij zal 'Les Copains' niet gelezen hebben!
O, lezer, goede, lieve, beste lezer, geloof mij toch: 'Les Copains' is geniaal. Het is van een Rabelaisiaanse grappigheid en van een soort originaliteit, waarvan ik eigenlijk alleen in 'Tristram Shandy' (Sterne) de weerga gevonden heb, het geeft, met al zijn dwaasheid en zijn baldadigheid, zijn zotheid en zijn moedwil, glimpen te zien van een geestesrijkdom en van een gemoedsdiepte, zonder welke de zotheid en de moedwil trouwens niet in die mate bekoorlijk zouden kunnen wezen, het is in zijn opzet zo uitgezocht-onzinnig en in zijn slot zo grandioos, dat men het niet meer vergeten kan. Temidden van het geforceerd-geestige, het gewild-diepzinnige, het opgeblazen-exotische, het kwasi-mystische waarmee vele der jongere Franse letterkundigen landgenoot en vreemdeling zoeken te epateren is dit, in al zijn buitensporigheid, van een volmaakte eenvoud...
'En dan "Donogoo Tongga".'
'En dan "Monsieur le Trouhadec saisi pas la Débauche"...'
'Gelooft me, vrienden, de ongelukkige recensent heeft dat alles niet gelezen. Hij is naar het theater gegaan, verwachtend een blijspel als vele andere, van een auteur als vele anderen te zullen zien. En we kennen toch allen de macht van de "preconceived idea"?'
191.