schier onnatuurlijk volmaakt en roerloos... in dat doodstille kerkje van natglanzende blauwe plavuizen, als goud blinkende koperen vazen, als oud-eiken glanzende houten banken, waar we binnenstapten uit morsige rommel, uit leem-vatten modder van een dorpsstraat, die eigenlijk nauwelijks straat zou mogen heten.
Getroffen door die reinheid en rust, bewonderden we de boeketten, de glanzende pharizen, de als goud blinkende koperen vazen, de als oudeiken glimmende banken - tot een stille hunkering naast ons ons aan het bestaan der Vierge herinnerde. Die hebben we toen naar behoeven bewonderd en vooral de 'artiest' in ons gezelschap moest bijzonderheden opmerken en over bijzonderheden een oordeel geven.
Bij het heengaan zagen we het andere vrouwtje naast haar emmer, een verlegen grinnikend, heel klein, bijna mismaakt boeren-mensje. En we hoorden dat ze van welgestelde boerenfamilie was en ongetrouwd. De kerk is haar huis, haar heiligdom, haar leven. Dagelijks brengt ze er verse boeketten, dagelijks schuurt ze de koperen vazen j boent er de blauwplavuizen vloer, wrijft er de banken, die nu al als oud eikehout prachtig glanzen. Ze neemt van de mensen daarvoor haar loon, en geeft het weer aan de kerk terug. Zei ik het niet naar waarheid, lezeres en lezer? Niets bizars, niets exceptioneels, niets om in een 'guide' te zetten, niets de moeite waard, dat vorsten er incognito hun cichoreinat zouden komen drinken. Eenvoudig: de dienende liefde. Een lelijk mensje in een armelijk, afgelegen dorp, een mensje zonder 'cultuur' - 't zou mij nauwelijks verbazen als ze lezen noch schrijven kon - zonder man of kinderen, haar dagen doorslovend in monotoon boerenwerk met een ongetrouwde zuster en een ongetrouwde broer - maar met als ideaal de kerk, niet de 'Idee' van de Kerk, maar de plavuizen, de vazen, de banken van de kerk. Ze stond in een hoekje naast haar emmer, lelijk, klein, onaanzienlijk, bijna mismaakt, het zweet liep langs haar wangen, lachend toonde ze ons een mond vol holten en kromme tanden, lachend, omdat ze zich verheugde in de roem van die dorpsgenote, die de
185.