tegen. Want het vrouwtje leek, leek mij althans, niet alleen zonder een kriemel talent, zonder een vonkje gave, maar dazjg en maniakaal. En dan boeit het niet meer, mij althans niet...
In mijn jeugd was de vraag of Hamlet wezenlijk gek was of zich maar zo hield, nog een strijdpunt, het was zelfs een der eerste van die aard, die ik op mijn weg ontmoette. En geen seconde aarzelde ik om een antwoord. Hamlet kon niet gek zijn, geen kunstenaar zou een krankzinnige tot hoofdfiguur in een drama maken!
Dit sterke gevoel, dat een gek, in die zin, niet belangrijk meer is, buiten het algemeen-menselijke staat als een bizarre exceptie, zelfs al zijn de banden met het algemeen-menselijke niet volmaakt verbroken, heb ik altijd gehouden, en zodra ik dus het dazige en het maniakale in het vrouwtje gewaar werd, zakte mijn interesse, plofte alle verwachting ineen!
Die stilleventjes en portretten bleken daarbij ook wel van een volkomen kakelbonte stumperigheid. Het schilderen was als een furie in haar - tot de vensters toe, de randen van een vogelkooi, de kastdeuren en de kozijnen, waren onder ranken en vogeltjes en bloemmotieven bedolven.
Natuurlijk hielden we ons braaf. Dat schilderen, die bekendheid, dat staan in het gidsje — en ééns een bezoek van koning Albert, die, incognito, aan ditzelfde tafeltje zijn koffie dronk! - bleek de troost, de zon van een door huwelijksrampspoed verwoest en ontluisterd leven. We hielden ons braaf en taai en toen we zeiden, dat een der onzen ook aan schilderen deed, kwam er een soort nerveuze opwinding over haar en moesten we mee naar de kerk, waarvan ze de sleutel had, en waar een Vierge hing, door haar geschilderd!
Zo hebben we het tweede vrouwtje ontmoet, dat niets bizars had en niet exceptioneel is en dat dan ook niet 'in de guide staat'. Eerst zagen we het werk harer handen en toen zagen we haar. En het werk harer handen... dat waren de boeketten van grote, ragdunne, wijdopen rose en witte bloemen, die we een ogenblik voor kunstbloemen hielden, zo smetteloos wit, zo bijna al te liefelijk rose, zo
184.