gevoel - dat rechtsgevoel, welks ongeschreven wetten niet in enig 'Wetboek van Strafrecht' te vinden zijn - in en aan en door 'gemeenschapsleven' te bevredigen, kwam altijd weer bedrogen uit. En leerde begrijpen, dat de mens met het beste in hem alleen is, alleen moet zijn en dat de wezenlijke 'gemeenschap' met het Hogere in geen enkele zichtbare 'gemeenschap' kan worden beleefd. En keerde tot zichzelf in, en tot zichzelf terug.
De dusdanigen hangen echter niet aan het eigendomsrecht over pruikjes eikehakhout, noch harrewarren ze met hun gemeentebesturen over fietspaden, het zoeken naar het hogere, dat in geen gemeenschap te vinden is, wierp ze op zichzelf terug, maakt ze tot individualist, daarom juist kunnen ze niet meer egocentrisch zijn. Ook de 'individualist' heeft, in zekere zin, zijn Ik tot middelpunt gemaakt, met dien verstande, dat hij zijn zedewetten en zijn rechtsbeginselen in zichzelf zoekt, sinds collectief dogma en collectieve wetten ontoereikend bleken. De ontwikkelingsgang van de wezenlijke, complete mens gaat van kinderlijke egocentriciteit (het kind is immers egocentrisch, vóór de puberteit geen 'gemeenschapsgevoel') door de ontgoochelingen van het geloof in gemeenschap, naar de eenzaamheid van het Individualisme, welks onvergankelijke formule is en blijven zal: — vergeef mij lezer, dat ik het zeg op deze plaats en een half etmaal te vroeg! - 'Het Koninkrijk Gods is binnen in U.'
Dit nu moge hem, die in de collectieve daad het hoogste ziet, voor wie het 'nuttige' het 'beste' beduidt, als levenshouding steriel, onvruchtbaar schijnen, daarover kan eindeloos worden geredetwist, maar dat geeft niemand het recht, over 'individualisme' als over een lagere staat te spreken.
Jaren al erger ik mij aan de wijze waarop het woord 'individualisme' wordt misbruikt en het begrip miskend - ergernis welke in iemand, die een dik boek schreef om het woord en het begrip toe te lichten, nu niet zo wonderlijk is! - en bij deze waag ik de poging woord en begrip te rehabiliteren in de kring mijner Handelsbladlezers, die allicht wijder dan de kring der lezers van 'Prometheus' is.
182.