die macht te ontrukken om ze de andere te geven, zolang de ene met de andere tezamen nog vormen één pot nat, met andere woorden: een zootje...
D a v i d
Ofschoon ik hem ken van de straat, en de meesten met mij, zou ik hem niet gaarne een 'straatfiguur' noemen. Daarvoor heeft hij te veel waardigheid, zij het dan niet bepaald in zijn figuur. Want gaandeweg slonk hij tot beneden de maat en wat zijn tussen klein grauw petje en immens bouffante gevangen hoofd betreft, ik denk dat de westenwinden het scheef hebben gewaaid, zóveel keren heeft hij immers al die weg tussen Laren en Hilversum achter zijn fruitkarretje afgelegd - lang vóór de tijd dat de 'rode huisjes' en de popperige villaatjes werden gezet, lang voor de tijd, dat het stoomverkeer 'in nieuwe banen kwam', ik meen, dat de tram werd verlegd. Misschien is er ook een andere reden, maar scheef staat het, zijn hoofd, tussen het grauwe petje en de immense bouffante van onbestemde kleur...
Als een Hollander zich waste, of als een Hollander vis at, of als een Hollander zwemmen kon, nu, dan spraken we elkaar nader! Dan zou ik misschien voor verband tussen 'milieu' en 'volksaard', dat schoonste aller axiomata van de moderne antroposociologie, te vinden zijn. Maar nu de Hollander zich niet wast en geen vis eet en niet zwemt, ofschoon hij het waterrijkst en het overvloedigst door water omvloeide land ter wereld bewoont, nu doe ik niet mee, en nu zeg ik dus óók niet, dat David zijn schamelheid en zijn onaanzienlijke armoede zo waardig draagt, omdat hij van zulke allemachtig oude 'komaf, omdat hij een Zoon van het oude Volk is!
Want hij voelt zich, geweldig. Een jas neemt hij niet aan, ofschoon hij genadig erkent, dat die mevrouw het goed met hem
175.