was en zijn krantjes geen eigen negotie, met het aankleven van risico en bederf. Want het waren Jaarbeurskrantjes, als ik mij niet vergis.
En dan weer - als een bijzonder blinkend schoenenpaar mij passeerde — ergerde ik mij aan die doffe, lelijke overschoenen, waarmee ik daar stond in volle zon. Tot ik plotseling, als bij ingeving, verband zag tussen de krantjes van het sjofele mannetje en mijn hinderlijke overschoenen. Sprak dat vanzelf, praktische lezer? Geenszins. Ganse mensengeslachten verzuimen soms een verband te leggen, dat toch volstrekt niet verborgener is!
Ik zou dan maar een krantje vragen; ik zou, nam ik mij edelaardig voor, er eerst een poosje in staan lezen, er dan mijn overschoenen in pakken, en er zou een ergernis minder in de wereld zijn.
Het mannetje stond aan gene, ik aan deze zijde van de ingang, ik wandelde over en strekte de hand uit naar het krantje in zijn uitgestoken hand. Ha, dat was de sjofele iets nieuws! Anderen vroeg hij en ze weigerden, of ze waren wel zo genadig in het voorbijgaan zijn vragende hand leeg te grissen, zonder bedankje, zonder kik, maar hier stond plotseling iemand, een vrouwspersoon nog wel, niet buitengemeen modieus of chique - neen, inderdaad niet! — en die vroeg hem. Al de anderen hadden macht over hem en daar onverwacht verscheen een wezen, waarover hij macht uitoefenen kon, een wezen op overschoenen, die misschien de meest abjecte zolenmisère verborgen...
En de hand met het krantje week langzaam van mijn vragende hand terug... ik kreeg het niet, neen, ik kreeg het niet. Waarom niet? Omdat ik het vroeg, omdat ik hem nodig had. De hand met het krantje ging naar een onberispelijk heer op overheerlijke wilde-kastanje-schoenen en de onberispelijke heer negeerde de hand met het krantje stijf en liep door...
Ik deinsde, op overschoenen, naar mijn oude plek terug. En vóór een haastige mensenguts mij degene toevoerde, die ik wachtte, kon ik juist nog even overdenken, hoe fataal toch immer de macht werkt op de mens en hoezeer Tolstoj gelijk heeft, dat het niet baat de ene
174.