krankzinnigen van elk type, van elk allooi, scherp geschetst met een korte indicatie, een voor een, en verder de professor, in zijn grove verwatenheid, zijn plompe zelfgenoegzaamheid, en dan nog de wachters en het meisje, en maakte van elk een persoon, een karakter en dit alles door een enkele mondvertrekking, met de allerdis-creetste gezichtsmimiek, maar met een eindeloze verscheidenheid van klankweergave en stemgeluid.
Later, in het tweede bedrijf, de drie firmanten van het oorlogsmo-numentenbedrijf, de schuchtere, gedrukte baron, en de schimmen der gesneuvelden...
Schimmen die de levenden in de rede vallen, die met grafstemmen klagen en aanklagen komen en toch niet, toch geen ogenblik banaal of ridicuul dreigden te worden... Om de voordracht alleen? Of ook, omdat altijd de vreemde taal een schut is tussen de hoorder en het gevaar voor het banale of ridicule...? Neen, ik geloof het niet. Dit was ongetwijfeld echt, die wanhoop om de waanzin van de oorlog, die vertwijfeling om de ongeneeslijk gebleken haat, dat verscheurend leed om zoveel domheid, omdat de mensen maar voortgaan hun leven en dat van hun kinderen en kindskinderen te vergiftigen door onbegrip, door de verblindheid die niet wil zien dat ook het eigen geluk in vrede en liefde ligt.
In het ogenblik nadat de schimmen zwegen en weer verdwenen, bereikte de voordrager, voor mij althans, zijn hoogtepunt van ge-zichtsexpressief vermogen: die overgang van de troebele schrikblik van de man, tot het kalm-verklaarde kijken van het meisje...
De zaak is nu deze, dat hij een troep zoekt, om zijn stuk voor hem te spelen, om met hem de ganse wereld rond te trekken en de We-reldvredegedachte in deze vorm naar de volkeren der aarde te dragen. En dit streven, deze begeerte heeft hij tot het brandpunt van zijn leven, tot zijn leven zelf gemaakt. Wie hem horen gaat, en daartoe zijn bijdrage stort, bereidt zich zelf een groot genot en draagt, althans iets, tot de vervulling van zijn streven bij...
'Maar gelooft u er eigenlijk in?' vroeg de praktische man aan de
172.