hadde ik wellicht over onze dieven gezwegen, gloeide ik niet van trots over het hoog-zedelijk peil onzer kindermeisjes! Welk een rehabilitatie.
Voor een dag of veertien verscheen ze bij mijn met twee jeugdige spruiten gezegende vriendin, op een mooie maandagmorgen. Ik wil haar Grietje noemen. Haar taak was met de kleintjes te wandelen, terwijl mijn vriendin haar lessen gaf. Ik zou niet durven zeggen dat ik haar vaak en aandachtig bekeken heb, maar ik durf wèl zeggen, dat ze niet meer in de ooievaar geloofde, noch in de kool. Had ze de kleintjes thuisgebracht, dan was haar dagwerk vrijwel geëindigd, dat dus - de lezer neme hier goede nota van! - voor het grootste deel buitenshuis werd verricht...
Na drie dagen bleef Grietje weg, spoorloos, zonder waarschuwing vooraf of bericht achterna. Restte niets dan een andere Grietje te zoeken. Die gevonden werd. En tegen dat de zondag naderde, was het eerste Grietje vergeten. Gissingen omtrent de motieven van haar mysterieuze verdwijning, in alle richtingen uitgezet, hadden geen resultaat opgeleverd.
Maar ziet, daar verscheen, ruim een week na dato, Grietje's broer, met bewolkt voorhoofd en dreigende blik, Jupiter gelijk. Belde aan, en eiste vervaarlijk een week loon. Een volle week, terwijl Grietje na drie dagen was gedeserteerd. Maar het most en het zou. Gelukkig was juist de tamelijk potige en zeer vastbesloten echtvriend aanwezig, die vierkant verklaarde dat Grietje op het allermeest het loon voor haar drie dagen krijgen zou. Want waarom was ze weggelopen?
Ja, inderdaad waarom? De eerste verbijstering verwerkt, wou mijn vriendin dat nu wel eens weten. Er moest toch zeker wel een heel gewichtige reden voor geweest zijn!
Ja, die was er ook geweest, een héél gewichtige reden, zo verzekerde de grimmige Jupiter met een bliksemblik.
En wat die reden dan wel mocht zijn...?
Een seconde dreigende stilte, en daar kwam het:
169.