Deugd en ondeugd
In de afgelopen week heb ik reden gehad mij over de reputatie van ons dorp ernstig bezorgd te maken. Niet één, maar vier dieven tegelijk - een geheel 'dievenkwartet', zoals een der bladen geestiglijk schreef! - zijn door onze actieve politie 'geknipt'. Dit had mij niet behoeven te bedroeven, het konden immers vreemden zijn geweest. Edoch, het bleek, o schande, eigen volk! U kunt u in de stad zoiets niet denken. Uw inbrekers en dieven behoren tot een andere wereld, u kent ze niet, u zaagt ze nooit. Maar wij... Maakte ik niet verleden week nog een praatje met één van het 'kwartet', die in een tuin het hout stond te dunnen? Rondom hem lagen de romige schilfers en hij lei mij uit, waarom die kastanje moest worden gekapt. Het was zo echt gemoedelijk.
Denk u onze emotie! De kinders, de gedienstigen, iedereen praat erover, iedereen raadde ernaar, eer er zekerheid was. Wie mag 'X.Y.' wel zijn, en wie 'C.P.'? Want voorletters pieren u precies als zichtbaar verstopte vingerhoeden: achteraf snapt ge niet dat ge ze niet dadelijk gevonden hebt, de verborgen namen, de verstopte vingerhoeden.
Maar nu weten we het. En met Mien, waar we de room, met Jaan, waar we de eieren halen, praten we over het stakkerige jonge vrouwtje van de een, de oude vader van de ander, en hoe de derde wel door armoe en balorigheid zo ver gekomen zal zijn, doch dat er voor de vierde geen enkele verontschuldiging is...
Vier tegelijk! Is het wonder dat ik vreesde voor de reputatie van ons dorp? Zullen niet de nijdige en jaloerse vreemdelingen het gevleugelde woord van nu wijlen Cremer - 'morele inzinking' - op ons toepassen gaan?
En daar er nu eenmaal altijd een 'causa' en liefst een zondebok moet zijn, wie weet, krijgt onze nog onvoltooide, onze bioscoop in aanbouw niet de schuld!
Maar neen! Nog leeft in onze boezem de deugd. Schaamtevol
!68