heeft ze 'onze gasten' geheten, Duitse poëzie in zijn toespraak gevlochten, woorden van bemoediging en troost, toch zijn ze de eenzamen, de ballingen...
Ze kijken naar de dirigente op, ze zingen, de oude, lieve liederen, de kerstliederen die ze als kleine kinderen zongen, om de eigen boom, in het eigen huis... waar nu nood en armoe heersen, waar de portretten der gevallen broers hangen boven de leren canapé, de ijzeren kruizen in de lijsten geprikt, een schamele troost, een trieste spot.
Buiten zijn bergen en bomen wit, en het gouden licht schijnt de kerkramen uit, en de wegen kronkelen door de dalen, tot de dorpen neer, naar de eenzame woningen op, en de maan schijnt en alles lijkt er als vroeger, alles lijkt als op de prentjes, die onze jeugd verrukten... alleen, in de schriel verlichte, schraal verwarmde huizen zitten de vervallen moeders en de vergrijsde vaders alleen en denken aan hun jongens die dood zijn en aan hun meisjes, die in den vreemde zijn.
Niet allen konden gemist worden, niet allen kunnen een reis betalen, niet allen zelfs hebben nog een ouderhuis... en zo stond daar dan dat helder gewassen, proper geklede troepje achter de piano, onder onze kerstboom en zong de lieve liederen uit langvervlogen, gelukkige jeugd, uit eigen woon, uit eigen huis.
En sloegen het samenzijn van ouders en kinderen, broers en vrienden, logés, zusjes, kennisjes gade, de hele jolige roezemoes, het vrolijkgewijde 'welbehagen' van de kerstvóóravond, wanneer we allen zo graag en zo grif vergeten, wat we zo zwaar en zo bitter weten, ze sloegen het gade van achter de piano, van hun tafeltjes af, en knikten ook wel zelf hun kennissen toe... maar later ontmoetten we er menigeen in de gangen, in de vestibule, die zich de ogen al dik en rood had gehuild...
167.