ogen neer. 'Snipe', die nu H.B.S.־er is, en zelfs reeds 3e־klasser is, bezwoegde zwetend zijn logaritmen-woestenijen - waarvan het zand óók wel uit grote getallen bestaat, maar die getallen zijn geen sommen, geen bedragen, zij dragen niet om zich, als een nimbus, de tover van het Bezit - en plotseling vloog er zo'n Aardje op zijn schrift.
En daar zaten we allemaal als kinderen, die plotseling Duizendeneen-Nacht, of wondervoorspellingen uit Jules Verne of Wells werkelijkheid hebben zien worden, en we riepen de geesten der vóór de 'vrede' gestorvenen op, wat diè en wat diè wel zouden zeggen, zo ze ons daar konden zien zitten, in ons stille dorp, in ons nederig huis, onder onze kalme lamp, met de miljoenen en de miljarden voor ons op tafel.
O, die magische macht van het Woord! Want is dit alles iets anders dan een fictie, is er in dit alles ook maar de geringste realiteit? De 'mark' van voor de oorlog, de mark, die (realiteit of fictie?!) zestig centen waard heette, bestaat sinds lang niet meer, doch aan het woord kleeft nog de suggestie der zes zilveren dubbeltjes. En denk u nu miljoenen, miljarden zestallen zilveren dubbeltjes, pakhuizen en scheepsladingen vol...
Miljoen... verschijnt er niet een wemeling, een flonkering als van goud voor de verbeelding van wie het woord uitspreekt, vol ontzag... slaat hem uit de gulden damp die hij ademt niet een duizel door het hoofd? Miljoen... miljoen... onbegrensd bezit, ongelimiteerd genot... Eens zag ik op het Damrak een boerenknaap staan met zo'n ding in zijn hand. Voor zijn ogen speelde de wemeling, de flonkering als uit goud, en de duizel voër door zijn hoofd, het stond alles zo duidelijk op zijn gezicht... en was die jongen nu bekocht omdat hij een kwartje gaf voor wat die dag een dubbeltjes heette waard te zijn? Immers neen.
Daar zaten we en speelden met miljarden en voelden iets als die boerenknaap voor wie tot dan de 'miljoenen' van het bezit onwezenlijk waren als de 'myriaden' der sterren waarvan hij hoorde op
161.