rends als men de toneelspeelkunst een dienende kunst heet, die trouwens in de persoonlijke interpretatie een mate van vrijheid, evenredig aan de begaafdheid, hernemen kan.
Maar het 'Super-drama' met de 'Super-Ster'. Wel ja, waarom ook geen Super-Sterren? Misschien zijn de directies mij dankbaar voor de suggestie. Het fratsenmakende, oogrollende, abject lonkende wezen, wier 'schalksheid' u het hart doet omdraaien in het lijf, die u het leven doet haten als ze lacht, praalt, boudeert, verovert, leeg, ijdel, capricieus, niets ziend en zoekend dan zichzelf en haar succes, geen middelen te min achtend, zonder waardigheid, zonder ernst, zonder geest. En altijd die rollende pupillen tussen gemene oogha-renfranje, en altijd die 'en coeur' geschilderde mond, namaak van kinderlijkheid, namaak van naïviteit, namaak van alles, en enkel echt: een onverzadelijke ijdelheid, een verterende dorst naar goud en bont en juwelen...
Zeker, natuurlijk, 'de goeden niet te na'. Helaas, ik mocht ze zelden of nooit ontmoeten. Maar vaak, wanneer ik het rol-ogende, lonkende, fratsende hoofd van de Ster meer dan levensgroot en alleen op het witte scherm zie verschijnen, dan is het mij alsof, langs geheimzinnige banen, alles wat in deze bonte, verbijsterende, angstige wereld geesteloos, harteloos, hersenloos, gewetenloos is, tezamen komt en culmineert in de Film-Ster...
De moordenaar
Zó, dunkt mij, moet een heel oud mens zich voelen, levend bij de dag... Elke morgen constaterend: ik ben er nog, en, het hoofd buiten deur of venster stekend, proevend de temperatuur, metend de wind, schattend het gevaar dat uit wolken dreigen kan: ik haal de dag nog wel! Zo zachtjes de uren over zich voelen gaan, gelaten en beducht tegelijk, want het moet toch eenmaal komen, maar die
157.