wenste de mensen iets beters toe, ik meende dat ze iets beters waard moesten zijn.
Van vele der dwalingen mijner dwaze jeugd ben ik thans genezen... waarom zou ik dan ook geen vrede hebben met de bioscoop?
De natuurfilms, de tekenfilms, de onschuldige en vaak uiige clownerieën. .. ze boeien het oog, ze leiden af, ze doen de een zijn zorgen, de ander zijn problemen vergeten. En wordt niet meestal in het eind de deugd beloond, het verraad ten onder gebracht?
Wat maakt ook de bioscoop zijn getrouwen niet drommels vindingrijk! Wel, terwijl de argeloze gelegenheidsbezoeker zich nog verbijsterd afvraagt, wat dat gewirwar van wazige figuren rondom het slapend hoofd van de held, voor de peinzende ogen van de heldin wel mag beduiden, schreeuwen de 'schoffies' in de parterre al: 'Kaik jog, nou droomt-ie!' Ze zijn, die klantjes, in de techniek van droom en herinnering gewiekster dan menig doorkneed Freudiaan! En denk dan eens even aan die regenachtige zondagmiddagen, als het uit de grauwe, trieste lucht zo troosteloos neerklettert in de verlaten straten... waar zouden ze heen moeten, de paartjes, 'zij', die (nog) niet bij hem, en 'hij' die (nog) niet bij haar 'aan huis mag komen', als er de schemerige ruimten der bioscopen niet bestonden? Als vogeltjes zitten ze er gedoken — er mochten eens kennissen zijn van pa en moe - en zó als de lichten opgaan, glijdt er een hand van een schoudertje, een arm van een stoelleuning af. Denk eens aan, waar ze anders wellicht zouden zitten, zonder de bioscopen.
Nu ik geen illusies meer heb omtrent de bioscoop en uiterst matige omtrent het mensdom, zou ik kunnen eindigen met er vrede mee te hebben als... als... als de een of andere Duivel niet op een dag de Bioscoopster uitgevonden had.
Zelfs 'heuse' drama's door 'heuse' auteurs voor 'heuse' grote actrices geschreven, heb ik nooit mogen lijden. Elke kunstenaar behoort zijn eigen kunst te dienen en de dramaschrijver heeft uitsluitend te vervullen de essentiële eisen van het drama, niet de incidentele eisen van de een of andere, ook de grootste mens. Men zegt niets vernede-
156.