genste bekoorlijkheden, in ogenschouw te nemen en niemand kon zich voor zijn moeite tèleurgesteld voelen.
Ach, het komt allemaal door die belabberde materialistische netvliestheorie. Gaat er niet ook een dergelijke legende van onze trommelvliezen? Nu, wat mij betreft, ik hoor als de beste, en watjes draag ik evenmin in de oren... kom echter gerust in mijn kamer en praat met elkaar waarover gij wilt, mijn trommelvliezen blijven er koud van. Simpelweg... omdat ik niet naar u luister, maar lees of schrijf of aan wat anders denk...
Natuurlijk was ik er, zoetjes aan tot de Larense veteranen behorend, vooraan bij op die openingsavond en baadde mij in jeugdig gezelschap, in de voormelde 'lichtzeeën' gelijk zulks betaamt. En mijn jeugdig gezelschap, gewapend met papier en potlood, vloog van de ene naar de andere etalage, voegde zich bij ander jeugdig gezelschap, en zocht, zich in de zotste bochten kronkelend, naar die listig verscholen letters, en had, met wijdgesperde ogen (en welk een occasie voor de netvliezen!) toch voor niets anders oog dan enkel voor die letters!
Welk een les, en zwaar van consequenties! Zou er wel ooit minder attentie aan de diverse verlokkingen, waarmee de neringdoende middenstand het overig mensdom tot kopen verleidt, zijn besteed dan juist op die avond?
Voor de brede, lichte ramen verdrongen zich jeugd en jonggeble-ven ouderdom; hier en daar stond de winkelier in de deur en glimlachte vergenoegd, want nu werd zijn etalage, het produkt van zijn smaak, zijn vlijt, zijn fantasie, het loon voor zijn slapeloze nachten, immers door en door 'in ogenschouw genomen'. Wat een netvliezen, en wat een licht. Was niet elke voorwaarde tot 'zien' vervuld?
De arme. Niemand zag iets.
In de lichte straten drentelde ik tussen de feestelijke winkels, en hoog boven het licht ruisten de oude bomen. Het leek een zucht...
Inderdaad: een zucht om de vervlogen glorie van het positivisme, dat mijn oude bomen hebben zien geboren worden.
152.