gene 'zien' wat ons netvlies met zijn lichtstralen beroert? Is het dan te verbazen, wanneer de hele wereld verwacht, dat we alles zullen zien, waar we met onze netvliezen pal tegenover staan? Niet echter aldus!
Zoals de oogst van verleden jaar, waarover toen bitter werd geklaagd, achteraf meestal blijkt te zijn meegevallen, zo blijkt er, in omgekeerde volgorde, op de 'schitterend geslaagde' feesten van het heden een jaar na dato gewoonlijk nogal wat aan te merken. En zo kwam het uit, dat na onze, overigens onvolprezen, 'winkelweek' van verleden jaar de kleineren en de afgelegenen zich hadden beklaagd, dat ze door het ondankbaar publiek waren vergeten en over het hoofd gezien!
Ja, inderdaad en treurig voor de kleintjes is het, maar we hebben nu eenmaal onze grootscheepse hoofd-, onze Kalver- en Leidsestraten, onze brandpunten van neringdoend middenstandsleven, waar onze immer groeiende duizendtallen zich in de 'lichtzee' (gelijk zulks heet in de 'lokale pers') der feestelijke etalages baden. Dan schieten de kleintjes, en ook de grotere bewoners der verscholen hoeken er bij in, en doen een volgende maal maar liever niet meer mee...
Eureka! Het middel werd gevonden. 'Dwingt ze in te gaan.' Aan deze 'winkelweek' - met een openluchtbioscoop op de Brink, in de volle maan (en wat moeten die oeroude bomen toch wel hebben gedacht!?) glorieus besloten — werd een'letterwedstrijd'verbonden. Van een winkelweekse spreuk kwamen een of meer letters in elke etalage te liggen en nu maar, lieve jeugd en jonggebleven ouderdom, aan het opsnorren, aan het noteren, uitpluizen en combineren. Opsnorren, inderdaad... want wat hadden ze listig die letters verstoken. Hier piepte een I achter een schoen vandaan, daar gaapte een A in het zadel van een fiets. O's kropen onder worsten, en naast de fles in een babywieg sluimerde de luie, dikke M.
Zó behoorde het ook. Want zó - had de winkelweekcommissie hoopvol toegelicht - zó werd het publiek letterlijk gedwongen, elke etalage tot in haar diepste geheimenissen, tot met haar verbor-
151.