wat hij door het raam van zijn dakkamer ziet Hoeden we ons voor het snobisme der bereisden!
Zo wachtte mij dan een bak vol prentkaarten, want ik had mij de luxe van een vakantie zonder correspondentie gepermitteerd en het consigne luidde: alles liggen laten. En wel grappig waren die bonte brokjes wereld uit alle oorden door elkaar. Want is er wel één gehucht zo verloren, zo verborgen, zo onaanzienlijk, dat er geen ganse series - altijd flatteuze en altijd verlokkende - prentjes van zouden bestaan?
Moderne zomeroogst, de stapels levenstekentjes der uiteengestoven vriendenschaar. 'Hier zit ik.' 'Dit balkon met het kruisje is mijn kamer.' 'Op gindse toppen ligt eeuwige sneeuw.' Eeuwige sneeuw, het woord vol sprookjessuggestie, waar hun blikken op staarden, toen wij ons zuchtend wentelden in de hittegolf. Watervallen, rotsgevaarten, stadsgezichten, strandtaferelen, meerpanorama's, woudtonelen, straatgewoel, mondain gewemel, landelijke rust, lakglanzing van al te rode bloemen, van al te groene bossen, al te blauwe meren en zeeën... Londen en Lido, Montmartre en de Pyreneeën, geblokte speelgoedhuizen uit Goslar, eenzame weiden ergens in het hoge noorden. Eén landschap in vogelvlucht: 'zoals ik het zag uit de vliegmachine, waarin ik huiswaarts keerde'.
Snelle treinen, stampende boten en hoogronkende machines hebben ze door de stille nachten, door de drukke dagen, uit de wijde ruimten aangebracht, de bonte wereldstukjes, de verstrooide brokjes van die grote, grote legkaart, en de mannen met hun volgepropte tassen lieten ze huis aan huis uit het lichte, roezige leven door de nauwe spleten der gesloten deuren in de stille schemerruimten van verlaten huizen glijden en daar bleven ze er wachten, gezameld, de terugkomst der uitgevlogenen af...
Telkens laat ik ze nog eens door mijn handen glijden, de groete-nissen der afwezige bekenden, telkens vlieg ik dan van oord naar oord, toef één seconde overal en ben weer elders, uit de drukte in de rust, van de verlatenheid in de mondaniteit.
147.