ling zelf, het zware, welgevulde, groot-formaat album een tijdspassering op kinderpartijtjes. Welk een trots om de enkele gekleurde tussen de zwart-en-witte! Lang nog niet overal waren 'ansichten' te krijgen...
Bij mijn thuiskomst, voor een paar dagen, wachtte er mij een bak vol, van heinde en ver. Want 'par les temps qui courent' reizen we allen. Het zij ons allen gegund. Het oude privilege der 'betere standen' is gemeengoed geworden. En wie weet waar het goed voor is! Mochten eenmaal onverhoopt onze 'edelvaluta' van hun verheven standpunt ne'erduikelen, mocht het reizen daardoor weer het privilege der 'bevoorrechten' worden, dan heeft de rest misschien geleerd dit voorrecht niet zó te exalteren en te benijden als vroeger geschiedde.
Een criticus schreef onlangs over 'Het Huisje aan de Sloot', dat dit boek eigenlijk als een weerlegging kan gelden, in zijn verheerlijking van de gelukzalige armoede, van 'liberalisme, socialisme en communisme', zijnde deze alle voortgekomen uit wat Plato reeds noemde, de 'meerhebberij'.
Ik kon mij bij dit oordeel geenszins neerleggen en heb het dan ook herhaaldelijk weersproken. Want het grote kwaad der ongelijke verdeling is de hoogmoed van de bezitters om een 'beschaving', die tenslotte maar wortelt in het bezit en het verzet tegen de ongelijke verdeling ('liberalisme, socialisme en communisme') is in velen verzet tegen de onuitstaanbare aanmatiging van Mr., Mrs., Miss en Master Forsyte, en niet gaarne zou ik een boek hebben geschreven dat daarvan de weerlegging was!
Maar wel, en hierin had mijn criticus gelijk, wel werd 'Het Huisje' zonder dat ik zulks beraamde, de verheerlijking van de gelukzalige armoede, een lofzang op de ontzaglijke bekoring van het geringe, daardoor de weerlegging van een heel ander 'isme' dan de genoemde, namelijk van het snobisme. Maar wel is het misschien ook, op zijn eigen wijs, een interpretatie van Kants bekende, mooie uitspraak: 'Niemand vermag meer van de wereld te ervaren dan
146.