baar, daar dit alles een duizenderlei verweven Eenheid beduidt. Is Mens iets anders dan Water en Lucht?
Het was niet 'Hedwig', die naar Wenen ging, o jeugdig treurend wezen, het was niet Tilly, die nu in Tasmania toeft, het waren niet al die anderen, o zoveel oudere en toch tot die nacht in ik-gevoel verstrikte, het was, het is, het zal zijn, alomtegenwoordig en eeuwig zichzelf gelijk als Water en Lucht, dat andere onmisbare: Mens, gegoten, geborgen in individuen, zoals water gegoten en geborgen in bronnen, in meren, in hele rivieren, die ook verschillende personen schijnen en ook niets dan hetzelfde Ene Wezen zijn.
Het is niet Hedwig, niet Tilly, niet Jan, niet Piet, niet Klaas, dat alles blaast ons slechts het ik-gevoel in, met de verschrikkingen en de droefenis van het scheiden... Dit scheiden is schijn, en onverbro-ken het contact, voor wie het begeren, voor wie het smaken kunnen, tot dat wij eens 'zullen zijn waar we niet zullen zijn'.
Pure uit deze mijn nachtelijke overdenking, wie hetzelfde wee beleefde, een kleine zomervakantiescheidingstroost...
Prentkaarten
Heugt u niet ook nog, lezer, de tijd, dat we 'ansichten' verzamelden en elkaar albums tot dat doel ten geschenke gaven? Het was de tijd, waarin Speenhoff zijn 'goedgezinde' (of een andere) meid liet zingen:
Je hoeft mij heus geen geld te zenden Zend mij maar ansichtkaarten toe.
En wie op reis ging, beloofde het de thuisblijvende als een geschenk: 'Je kunt er op rekenen, je krijgt een "ansicht" van mij!' Een mooi exemplaar werd een pronkstuk voor de verzameling, de verzame
145.