ven lezen en elkaar toeroepen. Namen van dieren en namen van zeehelden, in bonte rij: De Ruyter en Mol, Egel en Olivier van Noort...
Langzaam daalden de sluitbomen neer. Nog geen trein was te zien, nog geen trein te horen... en toch leek er, in die ruimte, waar zoeven voetganger en wagen ongehinderd passeerden, plotseling iets veranderd. Het was, ineens, een verboden ruimte! Aldus was er iets veranderd in de atmosfeer van het 'park' op de zomerse zondagavonden, dat we buiten het hek luisterden naar de muziek, en de 'rijken', die een dubbeltje hadden betaald, zagen drentelen op de paden, zelfbewust, waardig, fier. Bekoorlijker, begerenswaardiger, schoner en schitterender leken bloemen en bomen en 'vijver' ons dan ineens...
Zó veranderde de atmosfeer tussen de neergelaten afsluitbomen. Nog geen trein te zien of te horen, maar wèl al een rilling, een gevoel van nadering, van het ontzagwekkende dat, ongezien, dichtbij moest zijn! In die zonnige of sombere ruimte huisde alreeds de Geest van de Trein, de adem, de hartklop van dat briesende Gedrocht. En dan kwam het... dan werd het hoorbaar als verre dreuning, dan verdichtte zich die atmosfeer van ontzagwekkend doodsgevaar tussen twee dunne houten palen, in die ruimte, waarvan je nauwelijks stond gescheiden, en die toch ontoegankelijk was als keerden je granieten muren... en je hart klopte en je voelde je vingers blauw, en je rekte je tenen, je hals, boog je over de boom en zag het... Ver vóór de bocht, kort en stomp, zwart tegen het blauw, en het leek de rails in glanzende dubbelboog uit zichzelf naar je toe te schieten. Je zag het zo maar even, want dan was het plots weer weg, achter de bocht en als je het terugzag was het vlakbij onder de laatste seinpaal al door en je keek er tegen op, tegen de vervaarlijke zwarte buik en altijd weer leek het als moest het nu dadelijk uit de rails springen en over de bomen en, je verpletterend, over je heen, en je adem stond' stil, en dan was het voorbij, en maar nèt had je van het koperom-raamde vierkant de flonkerende letters tot een naam samengelezen en schreeuwde in het gedonder: 'Maarten Harpertszoon Tromp!',
142.