schuiflend riet, met wemelingen zilver en zwart, met klotsen schuim, die versgeurig hout beduidt en kleine, dikke zakken, glippend langs een grijze flank, en mannetjes bruin, die uit hun open lippen, hun lachende tanden de vreemde klanken lieten vallen, wier voeten bloot, tussen schurende schoenen en klepperende klompen, over de stenen gingen onder de hoge, groene bomen van de zomerse dag.
De roep van de boot, die dit alles beduidde...
Eerst heb ik gedacht: wat is dat toch? Waar ergens is hier water, waar in de wereld kunnen boten zijn? Uit mijn werk keek ik op en was weer één seconde kind en voelde het in een klots door mij heen gaan, alles, waarvan jaren lang de roep van de boot het accompagnement is geweest... en zag het water, proefde de wind, rook het hout... Waar liggen die boten toch, hier in dit droge land?
Ach, de haan heeft zijn stem, die de morgen looft, die de dag belooft en als het zachte, doffe bassen in donker tot mij komt, dan weet ik dat daar overal dommelende huizen en dat daar overal honden zijn... maar dit is een boze betovering.
Dom kind, dom mens! Voor mij was de roep van de boot een stem, als het kraaien van de haan, als het bassen van de hond. En nu is er de roep alleen, maar nergens water en nergens boten die komen of gaan, de zeeën uit, de zeeën tegemoet. Telkens schrik ik nog op, van die vleug door mij heen, van dat ijle, maar zo ontroerende kleur-en-klank-en-reuk-visioen, maar nu weet ik het: het is niemendal anders dan de fabriek.
Het is doodnuchter, akelig nuchter, ergens in Hilversum een fabriek. Die 'fluit' voor de schaft en als de schaft is afgelopen, en hij 'fluit' precies op tijd, mijn knaap is verheugd, laat anderen kibbelen over het juiste uur van toren en tram en zet op de 'fabriekstoeter' zijn horloge gelijk.
De fabriekstoeter... de stem van de boot... het accompagnement van mijn jeugd! Dezelfde, precies dezelfde. Als ik toch ooit had gedacht dat het kon, als ik toch eigenlijk niet vind dat het verboden moest worden!
130.