Zo regent het niet, Dat men een vis met zijn paraplu op ziet.
Niet 'een', maar 'zijn' paraplu. Men hééft een paraplu. Ik rol mij nog eens lekker in, grunnik weer, sluit de ogen.
Cuvier vroeg, naar men zegt, menigmaal, De reden hiervan aan bot of aal.
De malle, omslachtige deftigheid, de slaapverwekkende lange a's, de knetteringen der inwendige pret. Ik zie, in een plasregen, klein manneke in grijze mantel over de verlaten vaart gebogen: het is waarlijk niemand minder dan Cuvier! Wel verre van tot de vissen te prediken, ondervraagt hij ze.
Maar hij kreeg geen antwoord van aal of bot Dan.de wedervraag: Cuvier, ben je zot? Ja, snoek en stokvis, baars en braassem Zij riepen allen uit een aassem...
Merkt op: het ritme, de vele slaapverwekkende a's, en vooral de onvermijdelijke verwarring in de opsomming der roepende vissen. Ik weet volstrekt niet of dit de authentieke zijn, evenmin als 's avonds in bed, heb ik nu het boek naast me. Slechts aan de 'braassem' heb ik (vanwege zijn 'aassem') enige houvast, de 'braassem' is de spil, waarom alles draait. Ja, met recht, draait, glibbert, glijdt, glist. Elke avond anders. Hoe was het ook weer ? Snoek en stokvis... slechts paling, stokvis (de stokvis blijkt toch ook wel als een paal boven water te staan!) zal... neen... de aal werd al eerder genoemd... baars... paling... het moet al erg zijn als ik in dat Babylonisch aquarium de slaap niet vat.
Doch het komt wel eens voor, alevel, en het poëem schommelt dan verder, schommelend mij mee, en mijn geest deint, gewiegd, op het rust-ingietende wauwelritme...
126.