zaamheid, afdalen naar de regionen van de slaap...
En daarom lachten de schapen mij dan ook wel toe! Een-twee-drie-viervijf, hekje dicht; een-twee-drie-vier-vijf, hekje dicht; vijf, hekje dicht — vijf, hekjedicht — vijf, hekjedicht... en zo naar de vurig gehoopte rust.
De schapen, onze schapen! Met hun deinende ruggen, zilverlicht afstralend onder zilverlichte lucht, wijd over de grauwe hei. Zie hun koddige, golvende, buitelende lopen. Vijf, hekjedicht, vijf, hekjedicht... Edoch, er was één maar, deze: het kleppen van het hekje hield mij wakker...
Ik heb een goed, een al te goed geheugen. Mijn huisgenoten begrijpen vaak niet, 'waar ik het allemaal laat'. Er zijn dagen dat ik, tot plaag van die het bijwonen, uitsluitend vraag en antwoord in (niet eens steeds bondige) citaten. Mijn rommelkamer van bewaarschool, vaderlandse en andere kleppermanspoëzie, er is geen leeghalen aan. En onder dat vele was toch zo weinig dat mij dienen kon. Want mijn geest moet geleidelijk tot rust gebracht, moet zacht gewiegd op ritme en klank, liefst geamuseerd, doch vooral niet door ergernis (en ik erger mij veel, vaak, gauw!) geprikkeld worden. Zo bleek mij, om een paar voorbeelden te noemen, 'Nova Zembla' te blufferig en 'het Rijntje' te snufferig. Ja, het was een lastig geval en daarom ben ik dan ook met mijn kostelijk slaaprecept zo blij en geef ik het gratis een iegelijk, die nog smachten mocht om zo'n helling, waarlangs de moegetobde werkzame geest naar de geluidloze, rustige diepten sult...
Bij de Schoolmeester vond ik het en het voldoet aan alle voorwaarden. Het houdt de geest aangenaam bezig ('hoe komt de man erbij?', 'waar haalt hij invredesnaam de zotheid vandaan?') het bevat vele slaapverwekkende lange a's, het biedt, door zijn ingewikkeldheid, telkenmale problemen, en is toch weer niet ingewikkeld genoeg om het insluimeren te beletten. Het zet, best van al, een zacht geknetter van pret, een innerlijke kneuter aan de gang, ik grunnik in de dekens. Ziedaar:
125.