zenlijk niet en toch,... de luchtig mij toegeworpen woorden prikten, als een kleine, scherpe pijl van twijfel in mijn hart. Misschien toch wel... ? Want o, we zijn zulke rare mensen en o, we hebben zulk een raar métier. En een ogenblik gevoelde ik mij gelijk een vampier.
De appels
Het brede, blanke grind steeg naar het hooggelegen huis - de baken onzer wandelingen! - de zon scheen en het lispte door het levend groeisel aan de muren - olijfgroen, roestbruin, fonkelrood, zo mild, zo zoet. Een zwaarder murmelen hield ons plotseling staande, dat ik herkende, dat mij op slag terugvoerde naar mijn kinderjaren: want was niet zó het weer, scheen niet zó de zon, lispte niet zó de herfstwind door 't loof, als ik Vader wachtte voor de synagoge op die liefste dag van allemaal, de eerste dag van het nieuwjaarsfeest? Dan was het morgen, nu was het middag: twee uur, het hoogtepunt van de herfstdag.
Het zangerig murmelen hield op, een stommelen volgde en nu luidden we de bel en wachtten even later de directeur in zijn kamer en stonden na nog weer een paar ogenblikken met hem in de vriendelijke, stille tuin, die midden tussen hei en bos ligt en waar nog van alles groeit, de laatste overvloed, die de paarsgouden herfst ons gunt.
Vooraf hadden we de 'synagoge' al gezien en de hartelijke directeur, als voorganger fungerend, had ons niet zonder trots het antieke kastje dat de Wetsrol tot Arke dient, en het sjofar, de koehoornbazuin met het zilveren mondstuk getoond, siertorens en voorhangen bezitten ze nog niet, die zullen nog wel eenmaal komen. En nu lichtte hij ons over alles in, met opgewekte welwillendheid en vertelde dit curieuze: het Bestuur bestaat uit louter modernen - 'vrijen' zeggen de joden - en niettemin willen ze dat de kinderen streng ri
114.