mest voor het volgend jaar. Over de grens ben ik dan, als een iegelijk, geweest, maar de beroemde oorden hebben mij niet gezien, noch ik hen. Van de kleine oude stad aan de rivier, waarvan men te Elten de naam niet eens wist, laat staan dat men er ons een spoorkaartje heen geven kon, lag het 'Forsthaus' op de berg bijna twee uur verwijderd en die kleine, oude stad - zij vierde reeds haar elfhonderdjarig bestaan en Goslar haalt dit jaar pas de duizend! — was 'De Stad' voor een omtrek van uren gaans. Het leven was dus allerminst mondain en de natuur niet groots, maar wel onzegbaar lieflijk, het huis onder tegen een glooiende ganzenweide, rondom golvende dalen, tegen de avond met nevel gevuld, een beekje dat in het hart van het bos ontsprong en tussen vergeet-mij-nieten, zoals we ze als kind op 'plakplaatjes' bewonderden, tussen miniatuurbosjes van drieërlei kruizemuntgewas zich weg baande naar de rivier, waar 'de stad' aan lag - beukenbossen, waarin we ons alleen onder bevoegde leiding begeven mochten, waar we bruine reeën bliksem-vlug vluchten zagen in de gedempte groene schijnselen, en eenmaal, na zware regenval, een uit zijn hol verdreven vos... en elke avond, op hetzelfde uur, de kleine witkop tussen de appelbomen, zijn blote voeten zoetjes klappend op de blanke 'chaussee', die zijn drie rode koeien en zijn ene zwarte schaap huiswaarts leidde en op zijn mond-harmonicaatje gebroken wijsjes blies.
Heus, ik heb wil van mijn reis gehad en dus... geloof ik, dat ik nu in het vervolg maar thuisblijven zal...
Als was het gisteren geweest, zo duidelijk heugt mij de dag, dat mijn vader ons de gebonden, oude jaargang van 'De Aarde en haar Volkeren' gaf en dat ik, een klein meisje toen nog, daarin over 'Reizen door Sumatra' las. Ik zie de prentjes voor mij, nu nog, als ik de ogen sluit: 'De Batang-Hari bij de monding van de Potar' en 'Meisje uit Soeroelangoen' en ik voel mijn gevoel uit die dagen, van wonderbaarlijke ontroering, zoet-beklemmend, om dat verre, hetwelk mij in niets scheen aan het eigene verwant, en dat tegelijk zo machtig trok.
103.