WINTER OP DE MOLEN
het vooral zo'n grappige gedachte, dat ze nu tegelijk in diezelfde kamer zaten en dat ze op diezelfde omloop zoeven hadden gestaan.
„Dat zou echt iets voor Nel zijn!” meende Tine Maas, innig vergenoegd dat ze er nu ook eens bij kon wezen. Alleen Leida Verkruysen verveelde zich en had spijt dat ze was meegekomen. De arrenwedstrijd.... nu ja.... dat was nogal aardig geweest.... maar dat burgerlijke rommeltje hier! Niet veel beter dan een arbeidersmilieu.... Dat van die „oude kennis” tussen de moeder van Gien en dat mens hier moest ze verkeerd hebben verstaan, zo iets was toch onmogelijk. En die man, die pummel, met zijn pet op zijn hoofd en zijn onderbroek boven zijn bovenbroek uit. Was Gien nu eigenlijk half onnoozel of hield ze zich maar of ze het hier gezellig vond —, zij, die zelf in het Huis-met-de-Poppen woonde? Anna Doezer lag natuurlijk weer met haar neus boven op dat idiote molentje; als de kippen erbij, wanneer er iets te leren viel.
Ze keek eens rond. Wat een meubilair. Niet eens alle stoelen gelijk! Een samengeraapt zoodje. Natuurlijk balsemientjes en fuchsia’s ■—, dat hoorde er nu eenmaal bij, de ordinairste bloemen. Dan die portretlijstjes. Van komkommerpitjes, van schelpjes op karton geplakt! O, het kon warempel al niet erger.
En.... neen maar.....,fijn” waren ze óók nog! Niet te ver
wonderen! Dat paste precies bij de bril en de bonte boezelaar van dat schoonmaakster-achtige mens.
Wat stond er eigenlijk precies op die tekst, die daar aan de wand boven het ladenkastje hing? Je kon het bijna niet lezen van al de gouden en bonte krullen. Zeker een der kunstproducten van die beroemde grootvader, in lijst en glas nog wel. Maar wat stond er toch,...? „Zoekt voor alles het Koninkrijk der Hemelen”. O, zo, dat wist je dan alweer! Wat idioot om zo iets aan de muur te hangen. En die H. van Hemelen.... dat leek wel een K. „Zoekt voor alles het Koninkrijk der Kemelen”.
91