DE KLAS VAN TWAALF
zonsondergang was het afgelopen, waren ze naar alle kanten, over alle tochten en vaarten, onder vrolijk belgerinkel weggegleden. De prijsuitdeling zou nu nog volgen, later op de avond, in ,,De Zwaan”.
Even nog bleven de meisjes en de volwassen mensen op de omloop staan om nog eens te genieten van het zeldzame schouwspel: blauwig-zilveren maneschijn en rozig-rode avondgloed, dooreenspelend over de stralende sneeuw.
Voor het bezichtigen van het inwendige van de molen was het nu te laat geworden, maar Mol vertelde dat hij beneden een model had staan, een nauwkeurige nabootsing van ,,De Wilde Jager”, nog afkomstig van zijn grootvader. Op die grootvader scheen hij heel trots te zijn —, hij was niet alleen beroemd geweest als knutselaar, maar ook, ja vooral, als schoonschrijver. Voor al zijn tijdgenoten had hij bruiloftswensen en verjaarsverzen geschreven!
,,Een klein uurtje kunnen jullie nog wel blijven,” meende Marie. ,,Het is nog lang niet donker en bovendien is het volle maan. En het gaat recht-toe, recht-aan, langs de tocht. Jullie kunnen onmogelijk verdwalen. Wel als je komt, maar niet als je gaat.”
Beneden in de kamer — ze waren verzadigd van krentenbrood en chocolade, doortrokken van warmte, door-koesterd van gezelligheid — wees de molenaar aan het aardige kleine modelmolentje op tafel de verschillende onderdelen en legde er de werking van uit. In zijn ijver had hij vergeten zijn oud, bestoven petje af te zetten. Over zijn blauw boezeroen met de glimmende witstenen knoopjes hingen jas en vest helemaal open en boven de ruige broek, die zijn geweldige benen bekleedde, stak een brede strook van zijn blauw baaien onderbroek rondom uit. Hij dampte geweldige wolken uit zijn kort, zwartbe-rookt pijpje en keek zo echt gemoedelijk en plezierig. Alle meisjes bewonderden het kunstig-geknutselde molentje met de beweegbare venstertjes en deurtjes en ze vonden
90