DE KLAS VAN TWAALF
Ze proestte. Het Koninkrijk der Kemelen. Dat was te mooi om voor jezelf alleen te houden.
En ze stootte Lien Doezer aan, die zat het dichtst ,in haar buurt.
,,Zeg, Lien.... zie je dat? ,,Zoekt voor alles het Koninkrijk der Kemelen”!”
Lien snapte het niet dadelijk. Ze keek naar de tekst en dan weer naar Leida, met vragende ogen.
„Wat bedoel je eigenlijk?” fluisterde ze.
„Het Koninkrijk der Kemelen,” giechelde Leida.
Nu ontdekte Lien het ook. Ja, het leek meer op Kemelen dan op Hemelen, door die al te gul versierde H. En ze knikte, dat ze het had gezien en giechelde zachtjes met Leida mee.
En juist op dat ogenblik keek Mol van zijn molentje op en hun kant uit. Hij zag ze samen lachen en een ogenblik plooide zich zijn eigen gezicht tot een lach. Hij vond Marie’s feestje zo boven verwachting gezellig. Maar daar ineens ontdekte hij de oorzaak van de vrolijkheid en zijn gezicht verstrakte. Hij stond op, ging ongemerkt naar de wand waar de tekst hing, haakte het lusje van de spijker los, lei hem voorzichtig met het glas naar beneden op het ladenkastje en ging rustig weer zitten.
Lien had wel kunnen huilen. Liefst was ze meteen opgestaan en naar die goeierd toe gegaan, om het hem te zeggen, dat ze helemaal niet om de tekst, maar enkel om die malle H zo had zitten lachen. Ze keek naar Leida, maar die haalde onverschillig haar schouders op en vertrok minachtend de mond.
Ze bleven nog een kwartiertje en al die tijd probeerde Lien tevergeefs zijn blik te vangen —, blijkbaar vermeed hij het opzettelijk hun kant uit te kijken. En bij het afscheid wist hij het zó aan te leggen, dat ze weg moest gaan, zonder hem in haar handdruk, in haar blik te hebben kunnen beduiden, wat een berouw ze had —, haar hand en haar oog hadden hem niet bereikt.
Buiten was het bijna beangstigend mooi. Hoog aan de
92