DE KLAS VAN TWAALF
geweest, moeizaam opgekweekt met levertraan en versterkende kostjes, daardoor ook erg verwend door haar vader en, oudere broers en zuster, maar gelukkig toch geen „bedorven kindje” geworden.
Nog was ze niet sterk, moest veel verzuimen, maar wist door hard werken bij te blijven. Haar vader had zich dan ook tegen het gaan naar de kweekschool gekant —, maar de moeder had het doorgezet; de omgang met andere meisjes zou haar harden, ze groeide thuis te veel als in een broeikas op. Maar ze had ook wel de bezwaren gezien. Mol was geen eigenaar van de molen, hij was maar zetbaas, van huis uit een doodgewone arbeiderszoon. Zij zelf kwam uit een boerengezin en ze had in haar dorp als kind vlak achter de burgemeester gewoond, waar ze dan melk en boter en room en eieren placht te brengen en waar ze wel als klein meisjes bij de oudere kinderen te spelen was gevraagd, want de burgemeester en mevrouw, ofschoon schatrijk, waren heel eenvouuige mensen. Later had ze er een poos gediend als kindermeisje bij de jongere kinderen, om met ze te spelen en ze bezig te houden, en onder die jongere kinderen was ook de kleine, blonde Giene geweest.... en die kleine blonde Giene was opgegroeid en een dame geworden en eindelijk met mijnheer Aben getrouwd, die ze altijd „jongeheer Frans” had genoemd, en nu was ze moeder van de kleinere, blondere Gientje, Gientje Aben, en die zat bij Marie in de klas! En hun molen hoorde van Gientjes grootvader aan hem hadden ze te danken, dat Mol daar zo goed als eigen baas was en niet ergens maar gewoon als knecht moest werken.
Maar dat alles was jaren en jaren geleden en ze had er Marie nooit over gesproken. Niet uit valse schaamte, maar om haar niet nog linkser en bedeesder te maken tegenover een klasgenoot.
Ze wilde ook niet, dat er op Marie werd neergezien. Ze waren maar eenvoudige luitjes en woonden en leefden als boerenmensen. Niet uit schaamte, maar
84