HOOFDSTUK V
WINTER OP DE MOLENDAT jaar was de winter al bijzonder vroeg ingevallen. Het was eigenlijk een beetje bij verrassing gegaan. In een rij van strakke, klare herfstdagen was October geëindigd. Alle bomen droegen nog in vrachten rode en gouden munten hun laatste loof; als een vlekkeloze donkerblauwe koepel stond daar de hemel boven —, zo ging November in. Maar de wind liep uit naar het Noorden, en het werd gaandeweg al kouder, elke dag een beetje kouder, de mensen zetten hun kachels en trokken hun dikke kleren aan, maar zonder gedachten nog op de winter.... tot op een dag overal de kleine jongens zich met hun schaatsjes over straat vertoonden. Toen wisten ze het ineens: er lag ijs! Dat hadden de stille, gestadige nachtvorsten gedaan. En op de avond van Sint Maarten, de elfde November, kwamen de kinderen, die met lichtjes in gekleurde lampions en dof-rumoerige rommelpotten hadden lopen zingen over straat, bij hun moeders terug met jasjes en manteltjes vol sneeuw. De halve nacht bleef het sneeuwen; tegen de morgen klaarde de lucht weer op en opnieuw straalde een zonnetje uit het heldere blauw. De wind kwam uit het Noord-Oosten: het was winter.
Achter lente, zomer en herfst, achter groei en bloei en
80